Extra - Deel 7: De treinreis
- Koen van Veen

- 10 feb
- 3 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 15 feb
Station Apeldoorn. Zo saai als een station kan zijn. Er is een soort café, maar daar zit nooit iemand. De highlights van het station zijn de AH to Go en de Kiosk. En ook die onderscheiden zich niet van de honderden anderen in Nederland.
Maar als Twente thuis speelt, dan gebeurt er iets. Dan staan er plukjes mensen met Twentesjaals en plastic Twentebekers. En als ze in de trein stappen, zitten daar meer mensen zoals zij. Vanuit Amersfoort, Utrecht, Amsterdam of nog verder. En al zijn het er maar een paar. Ze zijn er. Ze gaan. Ze maken die oversteek naar Enschede. Hoe dichter de trein bij Enschede komt, hoe meer mensen er instappen.
En dat doen ze niet voor het spelletje. Niet voor het voetbal. Niet voor die panna of die een-twee. Ze doen het voor die club.
Een keer in de twee weken. Fietsen naar het station. Inchecken. Zoeken naar een zitplek. Sjaaltje om de nek, hoop in de broekzak. Hoop op een resultaat. Een resultaat dat niet gegarandeerd is. De heenweg kan gevuld zijn met gekanker en cynisme, de terugweg met hoogmoed en enthousiasme. En omgekeerd.
Maar ze gaan. Ze zijn er. Het hoeft niet, maar ze doen het. Niet vanwege de garantie op spektakel, de garantie op succes of welke garantie dan ook. Ze gaan alleen, ze gaan met vrienden of familie, ze gaan met volslagen onbekenden. Ze gaan om ergens te zijn, niet om ergens te komen. Ze weten waar ze het voor doen.
Je gaat. Als de auto, de fiets, het openbaar vervoer en/of het leven in het algemeen het toelaat. Je gaat. Als het verder tegenzit, als je druk bent, als je ook iets anders leuks had kunnen doen. Je gaat. Als het aankoopbeleid faalt, als de trainer ruk is, als de spelers liever ergens anders waren geweest en de concurrentie het wél goed doet. Je gaat.
Je gaat. Met je sjaaltje, je petje, je shirtje of je tattoo. Je gaat. En dat pakken ze je niet af. Of ze je nou begrijpen of niet. Je hoeft het niet uit te leggen. Het valt niet uit te leggen. Het is niet te koop.
Je gaat. Je staat. Je zingt. Je springt. Je scheldt. Je juicht. Je vloekt. Je leeft.
Je leeft. Voor die club. Die club waar je van houdt, die je soms haat, die je tot hoop en wanhoop drijft.
Die ene club. Het slaat nergens op, dat weet je. Maar die club. Die ene club. Die doet wat met je.
En wat dat wat dan is? Wat maakt het uit.
Het geeft je iets mee in je leven, iets tastbaars en ongrijpbaars. En je herkent het. Als je het echt voelt, herken je het. Zelfs bij de aartsrivaal, zelfs bij mensen uit verre, verre buitenlanden. Dat ene gevoel. Dat irrationele gevoel. Clubliefde. Je hebt het, of je hebt het niet. Je snapt het, of je snapt het niet.
Wees maar lekker fan van Mbappe, Messi of Yamal. Wij weten hoe het echt hoort. Fan zijn van een club. Ook als het kut is. Juist als het kut is.
Kut is kut, maar voetbal is voetbal. En je gaat. En ze gaan. En dat geldt voor elke club. 500 of 50.000 supporters. Voor het kampioenschap of tegen degradatie. Je sleept je naar dat stadion, je scant je kaartje, je gaat door de poort, je laat je fouilleren en je betaalt veel te veel voor je eten en drinken. Samen met al die anderen.
Dit pakt niemand ons ooit af. Laat niemand je dit ooit afpakken: je gaat. Je gaat gewoon. Weer of geen weer, succes of falen. Je gaat. En zo zullen er over de hele wereld vele stationnetjes zijn. Waar ze wachten. Waar ze opstappen. Waar ze gaan. Waar ze terugkomen.
Het is het eindpunt van de trein, bijna geen mens hoeft er te zijn, bijna geen hond gaat zover mee: Enschede.





Opmerkingen